Afstand of nabijheid? Geplaatst op 30 november 2018 Door J. (Jan) Verburg

Kunnen mannen beter orde houden dan vrouwen? Het blijkt dat vrouwelijke leerkrachten anders met ordeproblemen omgaan dan hun mannelijke collega’s.

Vrouwen willen graag naast iemand zitten (nabijheid), maar weten dat er ook ze als leerkracht ‘boven’ de groep moeten kunnen staan (afstand). Graag zouden vrouwelijke leerkrachten autoritair (nabij) op de eerste manier willen zijn en ook zo overkomen op kinderen. In de praktijk zijn ze meer autoritair op de tweede manier, afstandelijker dan ze zelf denken. Maar in feite past deze manier van lesgeven helemaal niet bij hen en dat hebben kinderen in de gaten. Communicatie bestaat immers voor een belangrijk deel uit je houding, mimiek en de klankkleur van je stem.

Gevoel

Vrouwen vinden het lastiger om afstand te houden omdat ze uiterlijk meestal gevoelsmatiger reageren dan mannen. Dat is een groot voordeel. Mannen kunnen soms ondoorgrondelijk kijken terwijl ze van binnen boos, verdrietig of teleurgesteld zijn. Maar het voordeel van de meester is dat hij eerder ingrijpt en straf durft uit te delen. Vrouwen willen liever eerst een gesprek met de leerling en het harmonieus oplossen.

Als een juffrouw minder grip op de groep heeft, dan kan haar dat lang bezig houden. Ze neemt de groep als het ware mee naar huis. Ze trekt het zich persoonlijk aan en voelt zich falen en vraagt zich af wat zij toch steeds verkeerd doet. Meesters zien het probleem van orde en grip eerder als het probleem van deze klas. De groep was vorig jaar immers ook niet te hanteren en als de ouders hun kinderen nu eens gingen opvoeden… Bij het beoordelen van hun stijl van lesgeven zijn mannen beduidend positiever over zichzelf, terwijl dat in de praktijk helemaal niet zo hoeft te zijn. Bij vrouwen is dit andersom, ze beoordelen zichzelf negatiever dan in de praktijk meestal het geval is.

Patroon

Beide aanpakken zijn niet altijd helpend en kunnen leiden tot knellende patronen in de interactie met leerlingen. Het is goed om te beseffen dat in het spanningsveld tussen nabijheid en afstand meer variatie mogelijk waardoor knellende patronen kunnen worden opgelost. Het probleem bij een knellend patroon is dat de eerste reactie meestal uit emotie gebeurt en zo kan zich een patroon ontwikkelen waarmee de relatie alleen maar verslechtert. Toch ligt de sleutel om te veranderen bij de leerkracht zelf. Het ligt niet aan de leerkracht, maar de hij of zij is wel de sleutel om te veranderen.

Roos van Leary

Met behulp van de Roos van Leary wordt de interactie (die als knellend wordt ervaren) inzichtelijk gemaakt en worden leerkrachten geholpen om hun interactie te verrijken.

Neem bijvoorbeeld meester Chris. Hij is erg geïrriteerd door het gedrag van de altijd opstandige Rosa. Hij is geneigd om boos en aanvallend te reageren. Net op tijd beseft hij dat dat haar en hem niet helpt een vruchtbare les te geven. Hij kijkt door een groene bril: Rosa is in haar opstandigheid ook heel kwetsbaar. Achter haar gedrag schuilt een bang meisje dat niet zo goed weet hoe ze met haar onzekerheid om moet gaan. Vanuit die bril kost het Chris geen enkele moeite om even naast Rosa te gaan zitten en haar te vragen wat haar nou toch zo dwars zit. ‘Help me jou te begrijpen’ is zijn relatievoorstel. Meestal is dat bij een kind voldoende om weer op een plezierige en vooral vruchtbare manier verder te gaan.

Juist in emotionele situaties kan coaching helpend zijn om op zoek te gaan naar nieuwe interactiesleutels om knellende patronen te doorbreken. Het gaat dus niet om afstand of nabijheid, maar een goede balans tussen beiden.