Levensbeschouwelijke vorming in het primair onderwijs

W. (Willemieke) de Jong

Studieleider Pedagogiek

Telefoon:
0182-540392 0182-540392
LinkedIn:
Twitter:

Onderzocht wordt hoe identiteitsvormende activiteiten in het primair onderwijs kunnen worden vormgegeven, op basis van de cultuurhistorische theorie (Vygotskij). Uitgangspunt daarvan is, dat menselijk gedrag in essentie sociaal-cultureel gedrag is en een zingevende dimensie kent. Daarom kan deze theorie richting geven aan onderwijs dat zich naast kwalificatie ook richt op de vorming van het kind tot autonoom subject, inclusief het leren omgaan met de spanning die daarbij kan ontstaan tussen persoonlijke zingeving en autonomie enerzijds en de waarden van de (multiculturele) omgeving anderzijds. 

Deze studie levert een empirisch ondersteunde, innovatieve pedagogisch-didactische methodiek op voor levensbeschouwelijke vorming in het primair onderwijs. 

Toelichting op het onderzoek

Theoretisch kader
De cultuurhistorische theorie is een theorie over menselijke ontwikkeling, die ervan uitgaat dat menselijk gedrag in essentie in sociale interacties verworven wordt. Dit geldt niet alleen voor de beheersing van culturele middelen, zoals de taal, maar ook voor de ontwikkeling van de identiteit. Die ontwikkeling van de identiteit heeft te maken met hoe we onszelf ervaren, hoe we in de wereld staan en handelen en hoe anderen ons ervaren en zien. ‘Living life as a creation’ is een uitdrukking van Vygotskij (1997a [1926]), de grondlegger van de cultuurhistorische theorie, om te benadrukken dat mensen mogelijkheden hebben om hun omgeving en hun eigen leven vorm te geven. De identiteit is niet een vastliggend gegeven waarmee mensen geboren worden. Mensen zijn daarmee niet overgeleverd aan hun omgeving, maar kunnen tot op zekere hoogte veranderingen aanbrengen en zo hun leven vormgeven. Tot op zekere hoogte, want een individu heeft altijd met andere mensen en culturele eisen te maken. Het persoonlijk belang stemt niet altijd overeen met het gemeenschappelijk belang. De interactie van het individu met de sociale omgeving kan daarom met spanningen gepaard gaan. Hoewel we al het een en ander weten over de identiteitsontwikkeling, zijn er ook aspecten die tot op heden geen aandacht hebben gekregen en die juist in het kader van burgerschapsvorming zinvol zijn om te onderzoeken. Zo weten we nog niet hoe de zingevende dimensie van de identiteit zich ontwikkelt met name als individuele keuzes op gespannen voet staan met de sociale omgeving en hoe die spanningen worden opgelost.

Wel weten we dat de identiteitsvorming een complexe en onderlinge verwevenheid betreft van omgeving en individu (Vygotskij, 1997), waarbij het individu steeds meer een eigen identiteit ontwikkelt. De verhouding van het kind tot de omringende wereld verandert voortdurend in de loop van de ontwikkeling. Aanvankelijk maakt het kind nog geen onderscheid tussen zichzelf en zijn omgeving. Als het kind leert spreken en lopen, wordt het voor het eerst mogelijk zonder volwassenen met de externe wereld te interacteren. Een volgend beslissend moment is de herkenning van het “ik”. Daarmee wordt de identiteit een sociaal concept. Geleidelijk aan leert het kind zijn denkprocessen te beheersen en komt als het ware tot vrijheid: hij kan zich in zijn denken met behulp van symbolen (taal) losmaken van de hem omringende wereld.

De in grote lijnen hierboven geschetste individuatie impliceert in toenemende mate de mogelijkheid tot het maken van steeds individuelere keuzes. Zoals eerder gezegd, kunnen die meer individuele keuzes op gespannen voet staan met de sociale context waarin het individu in de activiteit interacteert. Leontev (1978) laat bijvoorbeeld met een experiment zien dat een kind emoties toont wanneer het een conflict ervaart tussen wat het zelf wil en wat de omgeving van hem vraagt. De vraag is hoe deze spanningen die zowel in het klein (persoonlijke levenssfeer) als in het groot (samenleving) te herkennen zijn, op een goede manier kunnen worden opgelost. Daarom kan deze pedagogische theorie, als ze juist op dit aspect wordt uitgebreid het onderwijs verder helpen.
 
Op basis van de cultuurhistorische theorie van Vygotskij, zullen met deze promotiestudie handreikingen worden gedaan voor het praktisch handelen in de basisschoolklas, met het oog op de identiteitsontwikkeling van leerlingen. De identiteitsontwikkeling is nauw verbonden met de subjectwording van leerlingen. Naast de kwalificatiefunctie en socialisatiefunctie gaat het in het onderwijs om subjectwording (Biesta, 2012). Het gaat hierbij om de individuatie van de persoon. Het gaat om manieren van zijn, die een zekere onafhankelijkheid van de bestaande ordes aanduiden (Biesta, 2012, pp. 31). Juist deze functie van het onderwijs is het minst duidelijk geëxpliciteerd en uitgewerkt in curricula en pedagogisch-didactische aanpakken. Niemand ontkent dat het onderwijs invloed heeft op de persoonsvorming, maar hoe die invloed eruitziet of vorm krijgt is niet duidelijk. In deze studie zal juist daar de vinger op gelegd worden.

Kenmerkend voor deze studie zal zijn, dat het handelen ingebed wordt in levensechte activiteiten in een sociaal culturele context. Eerst zal gekeken worden hoe levensbeschouwelijke identiteitsvorming kan worden geconceptualiseerd binnen het paradigma van de cultuurhistorische theorie. Het gaat dan om de zingevende dimensie in de identiteitsontwikkeling. Dat is nodig, omdat dit aspect tot op heden niet is uitgewerkt binnen het kader van de cultuurhistorische theorie. Met name de door deze theorie bepleite vrijheid en eigen wil enerzijds en de eisen en verwachtingen van de omgeving anderzijds vragen om een verdere uitwerking. Daarna kan de verbinding met de concrete onderwijspraktijk gelegd worden en zal worden gekeken hoe op grond van de conceptualisering een pedagogisch-didactische methodiek voor het praktisch handelen kan worden geformuleerd in samenwerking met leerkrachten en hoe deze in verschillende denominatieve contexten gebruikt kan worden.  

Hoofdvraag

Is het mogelijk, en zo ja op welke wijze, binnen onderwijspraktijken van het primair onderwijs gebaseerd op de cultuurhistorische theorie van Vygotskij, levensbeschouwelijke vorming te realiseren met het oog op de subjectwording van leerlingen?

Deelvragen

  1. Hoe kan levensbeschouwelijke vorming binnen de cultuurhistorische theorie worden geconceptualiseerd?
  2. Welke pedagogisch-didactische methodiek is te formuleren (op basis van de uitkomst van deelvraag 1) voor het praktisch-didactisch handelen in het primair onderwijs?
  3. Hoe gebruiken scholen voor primair onderwijs de pedagogisch-didactische methodiek (zoals geformuleerd bij deelvraag 2), gegeven hun verschillende mensbeelden en levensbeschouwelijke uitgangspunten?
  4. Welke aanscherpingen levert  het praktisch gebruik van de pedagogisch-didactische methodiek op voor de theorie van levensbeschouwelijke vorming en wat betekent dit voor de verdere doordenking van de pedagogisch-didactische methodiek?

Literatuur

Biesta, G. (2012). Goed onderwijs en de cultuur van het meten. Ethiek, politiek en democratie. Den Haag: Boom|Lemma.
Leontev, A.N. (1978). Activity, consciousness and personality. London: Prentice Hall.
Vygotsky, L.S. (1997a). Educational Psychology. Translated by Robert Silverman. Boca Raton, Florida: St. Lucie Press. (Original work published in 1926)
Vygotsky, L.S. (1997b). Conclusion; Further research; development of personality and worldview in the child. In R.W. Rieber (Ed.). The collected works of L.S. Vygotksy: Vol. 4 The History of the development of higher mental functions (pp. 241-252). New York: Plenum Press. (Original work published in Sobr. Soch. V 6-ti t, Vol. 3, pp. 5-228, Moscow: Pedagogika, 1983)
 

Directe aanleiding: vormgeving christelijk onderwijs

Aanleiding van de studie zijn vragen hoe christelijk onderwijs na 9.15 uur kan worden vormgegeven en een verlangen het christelijk onderwijs pedagogisch te funderen. Daarin mee komt de overtuiging dat christelijk onderwijs meer is dan godsdienstige opvoeding en alles te maken heeft met de persoonsvorming van de leerling die de hele dag plaatsvindt. Omdat de brede persoonsvorming in het ontwikkelingsgerichte onderwijs het belangrijkste doel is, werd ingeschat dat vanuit de onderliggende theorie mogelijk aanknopingspunten te vinden zijn om christelijke onderwijs te verbreden en verdiepen.

Indirecte aanleiding: wetenschappelijke vernieuwing

Vanuit de cultuurhistorische theorie van Vygotskij is er bovendien een specifieke context en aanleiding te formuleren. De studie levert op verschillende punten een bijdrage aan de wetenschappelijke vernieuwing:
  1. Het is een kritisch-constructieve uitwerking van het levensbeschouwelijk aspect van de cultuurhistorische theorie;
  2. Het levert een bijdrage aan de theorievorming over levensbeschouwelijke vorming vanuit een tot nu toe nauwelijks benut paradigma;
  3. Het is een eerste empirische toetsing van een cultuurhistorisch gefundeerde pedagogisch-didactische methodiek voor levensbeschouwelijke vorming in het primair onderwijs. 
  4. Het levert een bijdrage aan de theorievorming over hoe spanningen tussen individuele keuzes en de sociale context (in het klein en in het groot) als het gaat om levensbeschouwing kunnen worden opgelost.
Trefwoorden: onderwijsvernieuwing, identiteitsontwikkeling, zingeving, levensbeschouwing, cultuurhistorische theorie

Publicaties en academische activiteiten

  • De Jong, W. (2014). Een kind van acht jaar. Identiteitsontwikkeling als pedagogische opdracht van de school. Zorg Primair, 2014 (7), 5-7.
  • Posterpresentatie op ISCAR conferentie Rome september 2011
  • Presentatie Colloquium Driestar educatief en North West University Zuid Afrika 2013
  • Presentatie Conferentie theologische antropologische pedagogiek Driestar educatief 2014
  • Presentatie Conferentie Lectoraatsdag christelijk leraarschap 2015