Het verhaal van de christelijke school: een reis met een zekere bestemming 22 januari 2026 Door Rijk Arends, schoolleider

Waarom bestaat jouw school? Waar sta je voor? Wat is jouw unieke verhaal? Tijdens deze Week van het christelijk-reformatorisch onderwijs 2026 nemen we je mee in manieren waarop je het unieke verhaal van jouw school vormgeeft en uitdraagt. Schoolleider Rijk Arends vertelt je het verhaal van zijn 101-jarige dorpsschool in Opheusden.

Als je in Opheusden les kunt geven, dan kun je het overal, las ik in de biografie van Gerrit Achterberg, bekend als dichter die in de jaren twintig van de vorige eeuw onderwijzer was bij ons op school. Ook las ik dat hij regelmatig met een blauw oog rondliep omdat hij vocht met de jongens uit de zesde klas.
Geen hoopvol begin misschien, maar het verhaal van de onze christelijke dorpsschool is ook geen successtory. Het is  een verhaal van vallen en opstaan. Een plek waar geleefd, geleerd en gehuild wordt.
Ik neem je graag mee in dat verhaal. Een verhaal dat verteld wordt door meesters en juffen, kinderen en ouders, leerlingen en oud-leerlingen. Het is een verhaal van ons allemaal.
Onze school bestond vorig jaar 100 jaar. Daar hebben we natuurlijk uitgebreid bij stilgestaan, onder andere met een mooi herdenkingsboek vol interviews en terugblikken. Maar ook met verhalen.
Tijdens de eerste bijeenkomst in de kerk vertelde ik de kinderen: “Als de muren van de school toch eens konden praten, wat een verhalen zouden we dan horen.” Vandaag wil ik die muren laten spreken en het verhaal vertellen van dat oude stenen gebouw, in de schaduw van de hervormde dorpskerk…
Het gebouw zag kinderen door de gangen huppelen. Veel van die kinderen kwamen later als ouder hun eigen kind op school brengen. Sommigen werden opa of oma, die ook steeds meer een rol krijgen in de school.
Het gebouw vertelt over leerkrachten die de kinderen bij de hand namen, eerst letterlijk als kleuter, en later figuurlijk. Die belangrijk waren voor de kinderen. Belangrijk voor het dorp, want iedereen is immers gevormd op school. Niet voor niets zijn de straten in een wijk vernoemd naar meesters en juffen van school.
Maar het oude gebouw zag ook leerkrachten worstelen om overeind te blijven. Soms letterlijk, zoals Gerrit Achterberg.
De Hervormde School. Er zijn namen die lekkerder in de mond liggen. Regelmatig krijg ik de vraag of we de naam van de school niet eens moeten veranderen. Nu houden we in Opheusden sowieso niet van veranderen, maar dat ‘hervormd’ heeft ook iets gemeenschappelijks. En dat is precies de school die wij willen zijn: een fijne plek voor de kinderen van het dorp. Met een boodschap van hoop voor iedereen. Zolang we artikel 23 mogen behouden, koesteren we deze naam maar.

Corrie ten Boom
Tijdens het schrijven van dit verhaal moest ik denken aan lang geleden, toen ik nog voor de klas stond. Het was projectweek en ons thema was het Corrie ten Boomhuis. In de klas hadden we het nagebouwd: een informatiewand met teksten en plaatjes over het leven van Corrie ten Boom, een klokkenwinkel en de kast met die geheime deur waarachter de onderduikers zich moesten schuilhouden als het nodig was. Voor de kinderen was het natuurlijk een heerlijke plek om in te kruipen. Regelmatig was ik er een kwijt, dan zat die in de geheime kamer.
Een van de boeken op de boekentafel was Het huis van mijn vader. Dat was het verhaal waar ik naar op zoek was. Daarin vertelt Corrie ten Boom over het huis in Haarlem, over haar opvoeding, haar vader en moeder, tantes, boeken, de plek van het geloof en de gewone dagelijkse dingetjes. Maar vooral de prachtige pedagogische gesprekken die haar vader met haar voerde.
Allemaal ingrediënten die nodig waren om haar latere leven zo betekenisvol te laten zijn.
Ik dacht: wat zou het mooi zijn als de school zo’n verhaal had. Een verhaal over een plek waar je fouten mag maken, met mensen om je heen die je leren hoe het leven in elkaar zit, maar bovenal wijzen naar Christus.
De kinderen
Het verhaal van de school gaat over kinderen. Vroeger vooral wit. Ouders werkten op het land of in de steenfabriek. De school was het verlengstuk van de gezinnen. Het leven was overzichtelijk: moeder was thuis, vader aan het werk, maar kwam wel tussen de middag thuis om een warme prak te eten met het hele gezin. Van buitenschoolse opvang had nog niemand gehoord en scheidingen kwamen nauwelijks voor. Als je straf had gehad, kon je dat beter thuis niet vertellen.
Als we vandaag het schoolplein oplopen, zien we gelijk dat de wereld kleiner is geworden. Hier en daar donkere huidskleuren. Eritrese kinderen, kinderen van Molukse afkomst, Poolse kinderen, kerkelijk, onkerkelijk: diversiteit genoeg. Ze spelen, praten, keuvelen en maken afspraakjes over wie er vanmiddag bij elkaar gaat spelen. Zo kan het gebeuren dat het zoontje van de boomkweker bij een Eritrees gezin aan tafel schuift, en een week later het Eritrese jongetje leert hoe je bomen kunt enten en hoe boerenkool smaakt.
Het is niet alleen verhaal over kinderen, maar ook een verhaal dat verteld wordt door kinderen. Thuis aan de etenstafel of bij vriendjes. Laatst zag ik een moeder met haar dochtertje door de Albert Heijn lopen. Het meisje zong psalm 116:1.  Ik had het idee dat moeder liever had dat ze ophield, maar het meisje  zong haar verhaal midden in de supermarkt en had er geen moeite mee om tot de kern te komen. Want het verhaal van de school is ten diepste het verhaal van Gods koninkrijk.
 
De leerkracht vroeger en nu
We gaan de trappen van het bordes op om de hoofdingang binnen te gaan. Eenmaal binnen waan je jezelf even terug in de tijd en als je je ogen sluit, ruik je de geur van kolenkachels, krijtborden en inktpotten. In de lange gang die voor je ligt, klonk het gedreun van het eindeloos stampen van tafels en catechismus. De krijtborden zijn inmiddels vervangen door digiborden en de lei door een tablet. Nee, ik zal niet zeggen dat het nu beter gaat, wel anders!
Aan de muur hangt het portret van de eerste bovenmeester. Als alle leerkrachten aan de muur zouden hangen, zou de hele gang vol zijn met portretten.
Honderden leraren hebben inmiddels lesgegeven aan de kinderen. Sommigen zijn  stilletjes verdwenen, over anderen raak je niet uitgesproken. Dan gaat het vaak om de bijzondere verhalen, zoals de juf die tijdens de rekenles sokken breide. De meester die twee keer per jaar 300 appeltaarten bakte met groep 8 en deze verkocht voor een goed doel. Maar vooral heel veel juffen en meesters van wie je ging houden, gewoon om wie ze waren. Omdat ze je zagen. Dat ene knipoogje dat je zo goed deed, of die hand op je schouder.
Meesters en juffen die luikjes open zetten naar de hemel. Zoals die juf waar ik op klassenbezoek was tijdens de rekenles. Het begon te sneeuwen en de kinderen werden onrustig. De juf zette ze voor het raam. En toen de eerste opwinding verdwenen was, praatte ze met de kinderen over hoe sneeuw eigenlijk ontstond. Ook vertelde ze dat sneeuw in de Bijbel een beeld is van Gods vergeving. Toen ze weer zaten, zongen ze nog een lied dat erbij paste. Van rekenen kwam niet veel die ochtend, maar deze les konden ze zich jaren later nog herinneren.

Een onverwacht hoofdstuk in het boek
Vanwege ons 100-jarig bestaan hebben we laatst een reünie gehouden.  Er was gebak en hamburgers, maar vooral ontmoeting. Veel mensen zagen de kans om nog eens terug te gaan naar de school van hun jeugd, het verhaal nog eens te herlezen, te ervaren.
Op die reünie was ook een meester van in de tachtig, die 55 jaar geleden op onze school had gewerkt. Ik hoorde een dame uit het dorp van een jaar of zestig tegen een andere vrouw van ongeveer dezelfde leeftijd zeggen: “Daar staat de meester.” Aarzelend en lachend liepen ze naar hem toe, alsof ze weer in klas 5 zaten en wilden vragen of ze koffie voor hem mochten halen. Daar stonden zestigplussers die elkaar ontmoetten, maar het bleven de meester en zijn leerlingen. Toen ik dat zag, besefte ik weer eens dat meesters en juffen geen voorbijgangers zijn maar de rest van ons leven met ons meereizen. De een meer en verder dan de ander. Maar allemaal drukken ze hun stempel.
Ik zag ze praten en zag de oude meester aandachtig luisteren naar zijn oud-leerlingen en belangstellend vragen stellen. Toen het zijn beurt was, vertelde hij vanuit zijn optiek de verhalen van vroeger. Over leerlingen, collega’s, gezinnen. Over zijn keuzes die hij maakte. Over hoe hij de volwassenen van nu toen als kind zag. Ze hingen aan zijn lippen. Het was een meester van de generatie verhalenvertellers. Een geschiedenisles was vooral een verhaal, een belevenis waar je van smulde en waarin je jezelf even Michiel de Ruyter of Marco Polo waande.
De onvermijdelijke vraag plopte bij me op: Zijn we in deze tijd van digitalisering nog toegerust om verhalen te vertellen? Kunnen we het verhaal van onze school nog vertellen? De christelijke leraar toch wel? Die vertelt immers elke morgen een verhaal, is hiermee opgegroeid, groot geworden. Toegerust om door te geven.
Ik moest denken aan de gelijkenissen van de Heere Jezus, die zelf zoveel verhalen vertelde om dingen van Gods koninkrijk duidelijk te maken. Als Jezus de kracht van verhalen gebruikte, zouden wij die dan niet toepassen?

Zingen
We zijn weer terug in het schoolgebouw. De bel gaat en de kinderen stromen binnen, luid pratend en de jongens stoeiend. De leerkracht staat bij de deur om ieder kind alvast even in de ogen te kijken. Even later wordt het stil op de gang en klinken vanuit verschillende lokalen psalmen.  Meestal niet meer begeleid door het harmonium, maar via Psalmboek.nl. Tijden veranderen. De lofzang blijft.
Psalmen die thuis geleerd moeten worden, ongeacht of je gelovig, kerkelijk of islamitisch bent. Sinds twee jaar hebben we een canon met psalmen en Bijbelteksten, die door de jaren heen telkens terugkomen en die de kinderen aan het eind van groep 8 moeten dromen en nooit meer mogen vergeten.
Ik heb in die jaren dat ik school werk acht keer bij het graf van een ouder gestaan.
Ik zal nooit die ene uitvaart van een vader vergeten. De begrafenis werd volkomen seculier ingevuld. Met één uitzondering: zomaar opeens klonk daar uit de speaker van de aula mannenzang van psalm 42:1 op hele noten. Die had hij vroeger op school geleerd en was hij altijd zo mooi blijven vinden. Zomaar, onverwacht, een stuk uit het boek van de christelijke school verteld op een begrafenis. Allen tot een getuigenis.

Als het zingen stopt, gaat de juf of  meester vertellen
Wat is het rijk als je juf of meester elke morgen begint met een Bijbelverhaal.
Verhalen die je tot nadenken zetten en de rest van de dag met je meedraagt en hopelijk de rest van je leven. Verhalen die soms zomaar terugkomen op het alleronverwacht. Verhalen die gebruikt worden om mensen stil te zetten, wakker te schudden.
De vertelling staat centraal, maar de Bijbel ligt wel open. En aan de manier waarop de juf dat Boek der Boeken vasthoudt, kun je zien dat er gezag van dat boek uitgaat. Dat ze van dat boek houdt. Het ligt niet onder op een stapeltje of wordt gebruikt als boekensteun, maar ligt, als het goed is, op een centrale zichtbare plek.
Er zijn kinderen bij ons op school die thuis geen Bijbel hebben. Dat zijn wel diegenen die je nieuwsgierig kunt maken. We hadden een meisje in groep 6. Thuis waren ze niet gelovig. Zij ging bij een vriendinnetje eten. Vader pakte de Bijbel en vertelde dat zij na het eten altijd een stukje uit de Bijbel lezen. Dat meisje zei: “Dat doe ik ook sinds kort.” Bij haar thuis hadden ze geen Bijbel, maar ze vertelde dat ze naar een kringloopwinkel was geweest en een bijbeltje had gekocht. Zo’n klein zwart bijbeltje in de Statenvertaling, want die had de juf ook. Ze vertelde dat ze voorin was begonnen en elke avond verder las. Inmiddels was ze in het Nieuwe Testament beland.
Wat is het mooi om als richtingaanwijzer te zijn. Extra bijzonder en verantwoordelijk op een school met een open toelatingsbeleid.
Laatst ging er een gezin verhuizen. Toen de vader mij een hand gaf, zei hij: “Zegen op je prachtige zendingspost.” Onze dorpsschool als zendingspost. Midden op de Biblebelt. Ik ga het steeds meer zien.
Een zendingspost. Niet alleen voor de kinderen, maar ook voor de ouders. Hun kind neemt de verhalen immers mee naar huis. Er zijn ouders die zijn gaan bidden voor het eten omdat hun kind dat graag wilde. Ook in de persoonlijke gesprekken en nieuwsbrieven is er ruimte genoeg om iets te delen van het koninkrijk van God.
Ik ben altijd nog verbaasd dat overgrote merendeel van onkerkelijk Opheusden voor onze school kiest, terwijl de openbare school twee straten verder ligt.
Ik heb met alle ouders een persoonlijk gesprek en vraag dan ook waarom ouders voor onze school hebben gekozen en niet voor de openbare school. Vaak hoor ik dat ze Bijbelse waarden en normen nog steeds waardevol vinden. Veel ouders zijn vroeger opgevoed met het geloof, maar zijn het kwijtgeraakt en willen toch graag dat hun kind het meekrijgt.
Maar vaak proef ik dat er meer onderligt. Mensen maken zich zorgen over de tijd waarin we leven en zijn op zoek naar zingeving.
De vraag hoe we omgaan met lentekriebels zal ik zelden van een kerkelijk meelevende ouders krijgen.  Bij niet-kerkelijke ouders is het vaak de eerste vraag die ze stellen. Ik probeer altijd eerlijk te zijn en vertel ook dat we met twee woorden spreken. Het levert vaak de mooiste en ontroerendste gesprekken op. Soms ben je teleurgesteld. Laatst belde een ouder mij terug. ‘Het was een goed gesprek en jullie zijn een leuke school, maar dat mijn kind verteld wordt dat het zondig is, gaan wij niet meemaken.’ Dat doet pijn. Het boek dat ze mee mochten schrijven, stopte al na één bladzijde.
Het schuurt weleens. Als kinderen thuis willen bidden of zingen maar het niet mag van hun ouders. Of als een meisje haar christelijke cd’s moet verstoppen onder haar bed. Toen ik voor groep 8 stond, voelde ik weleens de strijd waar de kinderen inzitten. De meester zegt dat Jezus de enige weg is tot behoud, maar thuis kijken ze daar anders tegenaan. De meester waarschuwt tegen vloeken, maar thuis vliegt de ene na de andere vloek door het huis.
Eén ding is zeker. De c van christelijk wordt wel gewogen door onze populatie ouders. Niet in de eerste plaats door de manier waarop de dagopening wordt ingevuld, maar vooral of in de praktijk zichtbaar wordt waar we voor staan. Hoe wij als leerkrachten ons opstellen. Maar ook de omgang tussen leerlingen: in de klas, maar ook zeker in de gang, thuis en op plein. Als de c van christelijk alleen theorie is aan het begin van de dag , dan wordt het een fictief verhaal dat ouders en leerlingen met een korreltje zout nemen. Op den duur blijft er alleen een sprookje over.
 
Schoolplein
Laatst  wilde nieuwe ouders kennis komen maken. Ze wilden tussen de middag komen,. maar vader vroeg of juist dát moment wel verstandig was, want dan spelen de kinderen buiten en ze wilden graag even de sfeer proeven. Ik zei: ‘Er is geen beter moment. Het schoolplein is een spiegel van de school. Daar zien we ten diepste terug waar we aan moeten werken en ook wat we erin gestopt hebben.’
Dat plein is eigenlijk de samenleving in het klein. Daar loopt de toekomstige timmerman, de slager, de boomkweker, de notaris. Nu nog op het plein als grote oefenplaats voor het echte leven. En dat botst weleens, letterlijk en figuurlijk. En dat is maar goed ook, want hoe zouden we anders het leven moeten leren? Honderdvijftig leerlingen die door elkaar krioelen, spelletjes doen, daarbij afspraken maken, teleurstelling ervaren, blijdschap voelen bij het scoren van de winnende goal en dat samen vieren. Maar ook ruzie maken, struikelen, pesten, weglopen. Het gebeurt allemaal.

verbinding
Als we heel goed luisteren naar wat de school te vertellen heeft na 100 jaar onderwijs, dan zien we dat de school steeds meer een verbindende rol krijgt tussen ouders, gezinnen en kinderen.
Eind jaren negentig dreigde de sfeer op school onder het nulpunt te raken. Binnen het team was de sfeer niet goed. En ook de relatie ouders team was ver beneden peil. Wat in 75 jaar was opgebouwd dreigde langzaam af te brokkelen. Eerst heel langzaam, en daarna met grof geweld.
Toen kwam er een nieuwe directeur die als hoofddoel kreeg om van de school een warm bad te maken. Dat deed hij door in de eerste plaats zelf de verbinding te zoeken. Gewoon gesprekjes aanknopen met ouders bij het hek. Mensen wisten niet wat ze meemaakten.  Als de tuinploeg kwam, stond hij samen met hen schouder aan schouder onkruid te wieden. Als de pakketbezorger langskwam, kreeg hij koffie. Als de jaarmarkt in het zicht kwam, ging zijn computer voor twee dagen uit en maakte hij samen met groep 8 honderden appeltaarten. Twee dagen feest. Hij begon met het organiseren van verbindende activiteiten zoals een schoolconcert, fancyfair en een schoolkamp waarbij ouders een belangrijke rol kregen in de organisatie. Er kwam een gebedskring van moeders. Het bleef niet onopgemerkt. Het nieuwe hoofdstuk van het verhaal van onze school ging door het dorp en de leerlingenaantallen namen weer toe. De school werd weer een plek waar je graag je kind op school hebt zitten.
Een paar jaar terug huurden we een frietkraam voor het afscheid van groep 8. Het was een gezellige middag.  De dame van de frietkar kwam een paar dagen later vragen om een inschrijfformulier. Ze wilde haar kind inschrijven bij de openbare school, maar had zich bedacht: ‘De manier waarop jullie als leraren omgaan met de kinderen wil ik voor mijn kind.’
Ouders waren niet langer toeschouwer maar deelnemer. Helaas zien we weleens dat ouders zich als klant gedragen: ze komen veel halen, maar weinig brengen. Als wij niet willen dat ouders zich als klant gedragen, moeten wij ervoor zorgen dat we ze niet als klant behandelen. Haal ze de school in. Meer dan de helft van onze ouders doet nog vrijwilligerswerk op school. Eind vorig schooljaar sprak ik een moeder. ‘Mijn kind gaat van school, maar mag ik biebmoeder blijven? Want ik vind het zo gezellig.’  En die vraag krijgen we vaker. Een goed verhaal vraagt om een vervolg. En wij schrijven dat niet alleen.

Cito
Als we een school willen waarbij de c van christelijk er niet bij hangt, vraagt dat ook om visie op onderwijs. Visie op resultaten. Is elk kind een uniek schepsel dat op zijn eigen niveau mag groeien en ontwikkelen? Of vinden we het toch wel lastig dat sommige leerlingen de opbrengsten wat drukken?
Nu sla ik een bladzijde open die ik wel ingewikkeld vind. Waar ligt het zwaartepunt van ons verhaal? Waarin stoppen we zoveel energie en tijd als school dat het als een rode draad door het boek moet lopen?
 Er was een tijd waarin de Citotoetsen bepaalde hoe goed een school is. En het ergste is: wij gingen erin mee. Ik zie mezelf als meester nog eindeloos oude Cito’s oefenen om maar te kunnen voldoen aan de eis van de Inspectie. Als we boven het landelijk gemiddelde scoorden, kregen alle kinderen een frikandel speciaal. Het werkte wel, want we haalden het. En voor het team was er gebak. Maar waar hebben we het eigenlijk voor gedaan?

Wat is nu echt belangrijk? Op dat moment zeiden wij: rekenen en taal. Eigenlijk zeiden we: Cito. En ondertussen schreven we prachtige volzinnen in de schoolgids over ons opvoedingsdoel, zoals: ‘Opvoeden tot zelfstandigheid..

Is rekenen en taal dan niet belangrijk? Natuurlijk wel.
Het is toch onze primaire taak om kinderen te leren lezen. Een behoorlijk rekenniveau mee te geven. Ze uit te dagen om te groeien. Een ieder op zijn eigen niveau met zijn eigen talenten.
Ja we gaan naar school om te leren. Maar we willen niet dat ons kind een Avi+ is, maar gezien wordt om wie hij of zij werkelijk is. En dat kun je niet in een grafiek aflezen. Maar het past wel in een verhaal. Het verhaal van de christelijke school.

Ik moet denken aan Inge, een meisje uit het dorp. Ze vertelde me toen ze van school ging dat ze de meesters,  juffen en kinderen ging missen. Er was wel een ‘maar’: ‘Ik heb me altijd dom gevoeld.’ Het was een super sociaal meisje dat de kleuterjuffen tijdens de pauze kon aflossen, zodat die koffie konden gaan drinken. Hoezo dom? Blijkbaar waren wij niet in staat geweest om haar dat gevoel van eigenwaarde, waar ze recht op had, mee te geven.

Jammer dat Inge niet een paar jaar later bij ons op school zat, toen de klusklas in het leven werd geroepen.
In de klusklas zitten jongens en meisjes die het cognitief gezien in groep 7 en 8 niet meer trekken, maar gouden handjes hebben: een stoel in elkaar zetten, de leilindes op het plein snoeien, een zeepkist timmeren voor Koningsdag en pannenkoeken bakken voor Molukse ouderen in het dorp.

Toen de klusklas een tijdje niet door kon gaan vanwege personeelstekort, werd er elke dinsdagmiddag op mijn deur geklopt. Daar stonden ze: de toekomstige elektricien, timmerman en kok, met fronsende wenkbrauwen.
‘Wanneer is het weer klusklas?’ Toen de deadline voor de zeepkist in gevaar kwam, moest de school zelfs ’s avonds open om het karwei af te maken.

Ik denk dat we gelukkig door de jaren heen beter zijn gaan zien wat een kind nodig heeft. Vorig jaar nam een collega afscheid na 40 jaar trouwe dienst en vroeg ik haar: “Wat is nu het verschil met 40 jaar geleden?” Toen zei ze: “Vroeger had ik een klas met 30 kinderen en nu heb ik 30 kinderen in de klas.” De nagel op zijn kop.
Dat vraagt wat van ons leerkrachten. De nood onder leerlingen neemt toe. Inclusief onderwijs klinkt prachtig. Maar we worstelen er allemaal mee.
Vorig jaar zaten er (ook bij ons)  twee kinderen structureel buiten de klas, omdat ze vanwege gedrag niet meer in de klas konden zijn en het ons niet lukte om ze weer mee te laten doen. Ze moesten halverwege het verhaal het boek dichtslaan en ergens anders opnieuw beginnen aan een nieuw verhaal. Een eeuw ervaring en dan kinderen los moeten laten omdat het niet lukt.

En de ouders zijn mondiger geworden. De emoties kunnen soms hoog oplopen. Ik heb weleens letterlijk tussen twee ouders in moeten staan om ze uit elkaar te houden. Soms moet je de hoorn van je telefoon iets verder van je oor houden of nog erger: je opent die mailbox vlak voor je naar bed gaat en ziet een mail staan waarin het onderwerp in kapitalen is getypt. Als jonge leraar had ik hier weinig begrip voor. Toen ik later kinderen kreeg, ging ik het beter snappen.

Ons verhaal is kwetsbaar. Eén lastige casus en het verhaal is metmodder besmeurd. Terecht of onterecht. Daarom moet het verhaal nooit een verhaal zijn met de strekking: kijk ons eens, maar een verhaal van leraren en schoolleiders die bereid zijn in de spiegel te kijken, hun fouten toe kunnen geven en de minste kunnen zijn. Maar ook van onderwijsmensen die hun rug recht kunnen houden als het nodig is en op hun strepen durven staan voor de goede zaak. Voor het goede verhaal.

De christelijke school als herberg
Ik zei al: de nood onder leerlingen neemt toe. En toch zouden we daarin juist als christelijke school het verschil moeten en kunnen maken. Zou de christelijke school niet juist een herberg moeten zijn? Een plek waar kinderen die de trein hebben gemist, een trauma hebben of gewoon anders zijn dan de gemiddelde leerling, even mogen uitrusten? Waar ze niet meteen hoeven presteren, maar eerst mogen ademhalen?
Ja, dat vraagt offers. Het vraagt tijd, creativiteit, soms lef, en altijd verantwoordelijkheid.
Soms denk ik weleens: als er één plek moet zijn waar kwetsbaarheid veilig is, dan is het toch de christelijke school? Niet omdat wij het zo goed doen, maar omdat we geloven in een Meester die Zich juist over de kleinen ontfermde. Het verachte en onedele was bij Hem in aanzien. Wie zijn wij dan om die ruimte te verkleinen?
Ja, dat vraagt offers, doordenking en verantwoordelijkheid. Maar dan hebben we een verhaal waar anderen jaloers op worden. Een verhaal dat we graag delen, omdat het niet van ons is maar van Hem.

De toekomst
Maar hoe moet het verder? Hoe loopt het verhaal af? Een verhaal vertellen is ook zelf reflecteren. Hoe lang mogen we nog christelijke school zijn? Wat blijft er van het christelijke  over van onze school als het vak godsdienst niet op het rooster staat? Of maakt de christelijke leraar sowieso het verschil, ook als hij of zij op een openbare school zou werken?
Moeten we ons alvast oefenen in de uitspraak van Augustinus: ‘Deel het evangelie desnoods met woorden’?
En hoe maken we het verschil nu we het bestaansrecht christelijke  school nog hebben?

Wellicht zijn we in slaap gedut. Niet bewust, maar stilletjes. Alsof we dachten dat het altijd wel zo zou blijven. Misschien waren we te veel naar binnen gekeerd. Druk met methodes, met roosters, met formulieren, met inspectie-eisen. En vergaten we dat we eigenlijk dragers zijn van een verhaal dat verteld moet worden.
Het is tijd om wakker te worden. Tijd om ons verhaal te vertellen. Te vertellen Wie de Auteur is van ons verhaal. Want voor wie gelooft dat er een groter verhaal is dan het zichtbare, het hier en nu, is het verhaal van de christelijke school een reis met een zekere bestemming.

Kijk voor meer informatie over de Week van het christelijk-reformatorisch onderwijs op onderwijsvanwaarde.nl.