We zitten toch niet bij godsdienst? Geplaatst op 5 november 2018 Door Rian Leune

Hoe verweef je het Koninkrijk van God in je lessen? Juist dát is je verlangen, maar hoe geef je dat vorm? Naar aanleiding van een lessenserie Duits aan de Jacobus Fruytier scholengemeenschap in Rijssen geef ik drie handvatten om in jouw lessen bruggen te slaan naar de Heere en Zijn dienst.

We moeten proberen om alle levensterreinen te verbinden met het christelijke geloof. Binnen en buiten het klaslokaal kunnen en mogen er vensters op de hemel worden geopend (Mackay 2014) .

Maak het persoonlijk

Handvat 1: gebruik iets wat jou persoonlijk raakte. Zodra het iets van jezelf is, merken je leerlingen dat. Hoe ik dat doe? Ik ben geboeid door de moed en het geloof van de Duitse Sophie Scholl, een christelijke studente die op 22-jarige leeftijd werd onthoofd door de Nazi’s. Zij is de hoofdpersoon in een aantal lessen geweest. We hebben leesvaardigheid, luistervaardigheid, uitspraak, kennis van land en volk en een klein beetje schrijfvaardigheid aan de hand van allerlei bronnen rond haar persoon gedaan. 92,3% van de 4 havo-leerlingen en 81% van de 5 havo-leerlingen gaf aan actief over hun eigen eigenschappen en idealen te hebben nagedacht. Meer dan de helft van de vierde- en meer dan een derde van de vijfdeklassers zei dat deze lessen hen er meer van bewust maakte dat naastenliefde een belangrijk thema is in het leven van een christen.

Begin klein

Handvat 2: Begin klein. Bereid je les gewoon voor zoals altijd, maar dan net even anders. Neem hiervoor een nieuwsgierige houding aan en vraag je vanuit jouw perspectief als christen af wat je met het Koninkrijk van God kunt doen in die les. Bij de behandeling van een tekst over een eeneiige tweeling die elkaar aan goede cijfers hielp door de toetsen te maken waar de ander zwak in was, kun je bijvoorbeeld de vraag toevoegen: ‘Ist spicken eine Sünde?’

Doen

Handvat 3: Organiseer je verlangen. Plan er lestijd voor in, formuleer leerdoelen en kies een werkvorm. Ik illustreer dit met een voorbeeld uit mijn eigen les. Begin (in het Duits) met een opwarmer: Je keek vroeger zelf ook wel eens af. Misschien reageert de klas hierop... Vervolgens probeer je in hooguit twee minuten erachter te komen in hoeverre er in deze klas wel eens wordt afgekeken. Daarna zet je de werkvorm ‘denken-delen-uitwisselen’ in om de vraag over afkijken te laten beantwoorden. Bij de stap ‘delen’ schrijft elk tweetal in maximaal vijf minuten een gezamenlijk antwoord in het Duits op volgens de structuur ‘Ja/Nein, weil … ‘. Eén van de leerdoelen is dus ‘je mening kunnen geven door een redengevende bijzijn’. Tenslotte besteed je een paar minuten aan de stap ‘uitwisselen’: Je vraagt drie leerlingen hun antwoord voor te lezen, geeft de klas de mogelijkheid hierop te reageren (in het Nederlands) en je reageert er zelf ook inhoudelijk op.

Doorpraten?

Deze drie handvatten zijn voor elk vak toe te passen. Het is vooral een kwestie van proberen en doen. Vooral dat laatste is van belang: doen maakt dat je kunt uitproberen wat wel en niet goed werkt. Bij jezelf én bij je groep. Wil je meer over dit thema weten of erover doorpraten, neem dan contact op met Rian Leune of Piet Murre van het lectoraat Didactiek.